Interviews met Philippe Cailliau

(Vraaggesprekken met Philippe Cailliau.)






Tim Heddebauw, "Omtrek van water". Philippe Cailliau presenteert nieuwe dichtbundel, in Uit in Oostende. Stad aan zee, maart 2020, 42 - 46. Zie: https://www.oostende.be/uitmagazine (ga naar het jaar 2020, naar het maartnummer en vervolgens naar p.42 e.v., - en ook: https://www.oostende.be/file/download/c84dd606-56a8-4271-810a-5e3ff6dfb0a3/0C7BE5A343C1F3352C1D21556629A9C6

Voor het globale, uitgetypte interview:zie / lees:

Philippe Cailliau presenteert nieuwe dichtbundel
Omtrek van water

Met ‘Tot de stenen wortel schieten’ publiceerde dichter Philippe Cailliau in 2016 zijn voorlopig laatste wapenfeit. Vier jaar later is de in Oostende aangespoelde Cailliau helemaal terug met een nieuwe dichtbundel ‘Omtrek van water’. UiT in Oostende vroeg om tekst en uitleg.

Je bent al 45 jaar actief. Hoe is je stijl doorheen de jaren geëvolueerd?

Om even te schetsen, in de jaren ‘70, begin jaren ‘80 waren er -toen ik begon te schrijven- drie poëzierichtingen: het neo-realisme (met o.m. Herman De Coninck, Paricia Lasoen en Daniël van Ryssel, de neo-romantiek (met o.m. Luuk Gruwez, Frans Deschoemaeker en Jotie ’t Hooft) en het neo-experimentalisme (met o.m. Wilfried Adams, Michel Bartosik en Leonard Nolens). Ik behoorde tot de groep van de jonge neo-experimentelen. Er werd toen veel gepolemiseerd over de poëtica en er verschenen diverse manifesten. Deze groepen stonden lijnrecht tegenover elkaar.

Vanaf de midden jaren tachtig vervaagden de grenzen en verdwenen de poëtische ‘scholen’. Er zijn nu geen poëtische groepen meer die met elkaar ruziën en die hun poëtica tegenover elkaar stellen.

In mijn poëzie denk ik dat ik evolueerde van het hermetisme naar een eerder bezinnende en beeldrijke zegging. Steeds belangrijker in die poëtische zegging worden ritmiek, klankbeeld en muzikale cadans. Maar het taalexperiment heb ik nooit opgegeven, al is het nu wel minder expliciet dan in mijn debuutjaren. Beelden, metaforen, enjambementen blijven het gedicht ondersteunen. Laat ons zeggen dat mijn poëzie nu vlotter te lezen valt.

Welke hedendaagse dichters kun je smaken? En waarom?

Bij het beantwoorden van deze vraag zal ik ongetwijfeld meer namen vergeten dan noemen (lacht). Maar ik probeer zo veel mogelijk dichters te lezen, al zijn er natuurlijk dichters die ik liever lees dan andere.

Een greep uit de groep naar wie ik steeds uitkijk: Hedwig Speliers omwille van zijn taalkrachtige poëzie. Welk onderwerp hij ook aansnijdt, door zijn beelden, zijn alliteraties, zijn poëtica, het is steeds een genot zijn gedichten te lezen en te herlezen. Renaat Ramon vind ik schitterend als visueel/concreet dichter die woorden en beelden en ideeën grafisch visualiseert. Alain Delmotte publiceert tegenwoordig vooral prozagedichten. Hij verlegt de grenzen van wat wij zien als poëzie. Bij hem bepaalt de bladrand het einde van een versregel. Centraal in zijn poëzie staat de manier waarop Delmotte kijkt naar de werkelijkheid, die tegelijkertijd verward en verwarrend is. Jana Arns is een jonge auteur die met haar krachtige beelden het dagelijks leven een aparte dimensie geeft. Haar kijk op de werkelijkheid is verrassend en origineel. De verwoording van haar beelden is heel knap. Ook haar paradoxen zijn prachtig. Ze plaatst beelden naast elkaar waardoor er een mysterieuze werkelijkheid ontstaat.

Verder kijk ik op naar Paul Rigolle wegens zijn zeggingskracht en beeldrijkdom, zijn originele gebruik van de taal die bij hem een sacrale ondertoon krijgt. Ik wacht al lang op een nieuwe bundel van hem. Bert Bevers heeft dan weer een heel persoonlijke syntaxis, die ik schitterend vind. Als je Bevers leest, heb je vaak de indruk dat je op het verkeerde been wordt gezet, dat er niet staat wat je verwacht. Ook Bevers beheerst de prosodie en de syntaxis om een magische poëtische toon te creëren. Charles Ducal voor zijn originele zegging en zijn sociaal engagement, Marleen de Cree met haar beeldrijkdom, haar metaforen, haar poëzie vol mysterie en emotie en Luuk Gruwez omwille van zijn eenvoud (die toch gelaagd en diepzinnig is) en zijn humor. En zo kan ik nog een tijdje doorgaan …

Al deze dichters hebben van dichtbij of veraf iets gemeen, iets dat voor mij de goede poëzie benadert of bereikt. Zij gebruiken allemaal een niet-alledaagse, gelaagde taal. Hun poëzie is voor een lezer als ik een ritueel gebeuren.

Wat maakt een gedicht een goed gedicht?

Dat weet ik eigenlijk niet. Je voelt aan wat een slecht gedicht is, en je voelt meestal aan wat goed is. Maar regels om een goed gedicht te schrijven, zijn er niet. Er zijn natuurlijk wel richtlijnen, maar zelfs die zijn subjectief. Bovendien, wat jij goede poëzie vindt, is daarom voor mij nog geen goede poëzie.

Poëzie is een heel persoonlijke zaak, zowel voor de lezer-mens als voor de dichter-mens. Poëzie is nooit een objectief bestudeerbaar gegeven. Ik zal me dus beperken tot enkele persoonlijke bedenkingen.

Een goed gedicht hoedt zich voor clichés, gemeenplaatsen, versleten uitdrukkingen (“ik vlieg door het universum van het leven”, “de nacht valt als een deken over het landschap”, …). Beelden, metaforen, het taalgebruik … moeten verrassen.

In een goed gedicht probeert de dichter het onbeschrijflijke, het onzegbare te benaderen, te beschrijven, in woorden vorm te geven. Door de karakteristieke zegging creëert hij ruimte voor een mysterieuze wereld die niet altijd tastbaar is.

Poëzie moet een universele waarheid uitstralen. Als bijvoorbeeld een gedicht in de ik-vorm is geschreven en de lezer ziet alleen maar de dichter die het gedicht schreef aan het woord, dan is die tekst een persoonlijke belijdenis, een bekentenis, en voor mij géén poëzie. Een Schlagertekst, dus, zonder diepte, zonder meerduidigheid. De universele draagwijdte ontbreekt.

Een lezer moet in een goed gedicht zichzelf kunnen herkennen en de schrijver van het gedicht volledig kunnen vergeten. Het gedicht moet zijn projectie worden, en niet de exclusieve projectie van de maker, van de dichter zijn … De dichter is weliswaar aanwezig, maar of hij onontbeerlijk is, is zeer de vraag. Hij moet onzichtbaar aanwezig zijn, zodat zijn gedicht een veelomvattende dimensie krijgt. De lezer moet de maker van het gelezene kunnen vergeten.

Een goed gedicht evoceert beweging door taal. De manier waarop versregels gevormd worden, is cruciaal.

De versregels krijgen door hun zegging, door hun eigen syntaxis (en hun ritmische en vormtechnische aspecten) iets magisch – iets dieps, onbestemds, mysterieus. Je hoeft als lezer (en zelfs als schrijver) niet direct 100% te begrijpen wat er staat: de manier waarop taal een poëtisch beeld creëert, geeft aan het gedicht iets mysterieus en onweerstaanbaars.

Elke nieuwe lezing kan bovendien nieuwe interpretaties binnen een gedicht doen ontstaan.

In 2013 verscheen het symbolische ‘Het boek nul’ na een reeks gezondheidsproblemen. Betekende deze publicatie -achteraf gezien- inderdaad een door- en herstart voor je?

Ja. Niet alleen achteraf gezien, ook op het ogenblik van schrijven zelf. Anders zou ik die bundel wel een andere titel gegeven hebben.

In 2005 begonnen de ernstige gezondheidsproblemen die me in maart 2006 dwongen met pensioen te gaan. In 2007 publiceerde ik met ‘Zwijgboek’ de voltooide gedichten die ik nog ‘in portefeuille’ had, maar ook die titel was al symbolisch. Mijn plan was om na 2007 niets meer te schrijven, dus te zwijgen, vandaar die titel. Die bundel was een afscheid. Ik was te ziek, al mijn energie moest telkens opnieuw naar herstel gaan. Ik was leeg, ziek, ik had niets meer te vertellen.

Maar in 2011 – 2012 begon ik, met een wit blad voor me en in een toegankelijker stijl, opnieuw poëzie te schrijven. Ik herbegon dus vanaf plusminus nul. Vandaar die titel: ‘Het boek nul’. Het was een bundel over pijn, over afzien, maar de gedichten waren geschreven met de nodige afstand.

Echt van nul beginnen doet een dichter die al 7 à 8 bundels heeft gepubliceerd, natuurlijk nooit. In het persbericht stond toen het woord ‘herstart’, maar collega-dichter Bert Bevers sprak van een ‘doorstart’, wat inderdaad een betere typering is.

Ik startte dus een tweede poëtische periode. De energie om gedichten te schrijven en te publiceren was er weer.

De nieuwe bundel heet ‘Omtrek van water’. Vormt Oostende daarin een rode draad of inspiratiebron?

Al in mijn vorige bundel (uit 2016), ‘Tot de stenen wortel schieten’ , publiceerde ik een cyclus van 10 gedichten over Oostende en de zee. De titel van die cyclus was ‘Oostende. North Seascape’.

Ik heb meer gedichten geschreven waarin Oostende een rol speelt sinds ik in 2015 in Oostende ben komen wonen. Water en zee zijn kapitale motieven en thema’s in mijn poëzie geworden. Water als voedend element, water als beweging, water als beeld van redding, maar ook van vernietiging lopen als een rode draad door mijn jongste poëzie.

Het water en de zee - en in mijn geval is Oostende daar onlosmakelijk mee verbonden - zijn voor mij van levensbelang geworden. Oostende haalt zijn voedingselementen uit de zee. Oostende, het water en de zee zijn voor mij een levensbron geworden.

Net als in mijn vorige bundel, staan er in ‘Omtrek van water’ Oostendegedichten. Oostende heeft veel te bieden, niet alleen water en zee. Er zijn ook de Oostendenaars, en het feit dat ik in en door deze stad vriendelijker in de armen ben gesloten dan ik ooit door een andere stad waarin ik ging leven, ben ontvangen. Oostende straalt warmte uit.

Zijn er intussen al plannen voor een volgende bundel?

Jazeker! Een dichter is, enkele dichters niet te na gesproken, voortdurend bezig met nieuwe gedichten, met het bewerken van gedichten in wording. Over een jaar of over enkele jaren maak ik dan een keuze en is er een nieuwe bundel in de maak. Meer kan ik daar op dit ogenblik niet over zeggen. Maar nieuwe of oude nieuwe gedichten zullen er steeds zijn. Al zullen ze worden gebundeld in ‘Nagelaten gedichten, ze zullen er zijn!


Interview: Tim Heddebauw, 6 februari 2020

[Quote]

“Het water en de zee - en in mijn geval is Oostende daar onlosmakelijk mee verbonden - zijn voor mij van levensbelang geworden. Oostende haalt zijn voedingselementen uit de zee. Oostende, het water en de zee zijn voor mij een levensbron geworden.”


‘Omtrek van water’ is verschenen bij uitgeverij Kleinood & Grootzeer, in een oplage van 100 genummerde en gesigneerde exemplaren. De nieuwe dichtbundel wordt gepresenteerd op zaterdag 7 maart 2020 om 14.30 uur in zaal Forum van de Bibliotheek Oostende, Wellingtonstraat 7.

 



Poëzie-centraal (van het Poëziecentrum, Gent), in de reeks "De zomer van ...":
"De zomer van Philippe Cailliau", op het net geplaatst op 15 augustus 2019. Zie: 
https://poeziecentraal.be/nieuws/77/de-zomer-van-philippe-cailliau 
Tekst van 04 augustus 2019


Poëziecentrum en Paukeslag (16 augustus 2018)


Vragen en antwoorden met betrekking tot de schenking aan het Poëziecentrum van het gedicht op/in hout: “Lied van lief en lafenis” (1979) van Philippe Cailliau

Zie: het volledige gesprek op de website van Poëziecentrum, zie  https://poeziecentrum.be/bericht/philippe-cailliau-schenkt-gedicht-op-hout-uit-1979-aan-po%C3%ABziecentrum

Voor een gedeelte van het het gesprek (over het onstaan van de scultuur), zie Paukeslag: zie  http://paukeslag.org/items/show/52068  

De volledige tekst: 

1/ Echte poëzieliefhebbers kennen je al jaren als dichter en redacteur/medewerker aan verschillende literaire tijdschriften, maar voor een breder publiek is het toch interessant om je nog kort even voor te stellen.
 
Ik ben geboren in 1954 te Elisabethstad, Belgisch-Kongo. Ik bracht mijn jeugdjaren door in Afrika en woonde nadien, tot mijn zeventiende, in het voormalige West-Duitsland. In 1972 ging ik aan de Vrije Universiteit Brussel Nederlandse Letterkunde en literatuurwetenschap studeren. Tot mijn pensioen was ik leraar Nederlands en Massamedia. Ik gaf les aan diverse Vlaamse scholen en woonde al die jaren in enkele randgemeenten van Brussel en nadien in het Vlaams-Brabantse Sint-Genesius-Rode.
 
Overdreven veel publiceerde ik niet, maar er verschenen tot op heden, met betekenisvolle onderbrekingen,  toch tien dichtbundels (waarvan de eerste hermetisch en neo-experimenteel van aard zijn). Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw schreef ik talloze recensies en essays over (voornamelijk) Nederlandstalig proza. Jarenlang was ik een vaste medewerker aan het literair- en kunstkritisch tijdschrift Kreatief. Losse gedichten verschenen ondertussen in diverse literaire bladen en bloemlezingen.
 
In 2013, enkele jaren na mijn vroegtijdig en gedwongen pensioen, verhuisde ik wegens medische redenen naar Oostende, waar ik nog steeds met veel plezier woon. Sedert 2012 is mijn poëtische productie weer toegenomen. In 2013 verscheen Het boek nul (een poëtisch opnieuw ontwaken - eerder een niet tegen te houden doorstart), een jaar later Niets verloren en in 2016 Tot de stenen wortel schieten.
 
 
2/ In 1975 debuteerde je met de bundel De moordenaar en zijn vroedvrouw. In de jaren die volgden publiceerde je nog 4 dichtbundels, maar vanaf 1982 volgde er een lange dichterlijke stilte, die je pas zou doorbreken met Randstad living – Impressies van een slaapstad(1997). Wat was de oorzaak van dat lange zwijgen? Schreef je in die periode nog?
 
Tussen 1982 en 1997 publiceerde ik inderdaad geen enkele dichtbundel. Maar ik zat wel niet stil. Er verschenen af en toe losse gedichten in literaire tijdschriften, ik gaf les (Nederlands doceren aan de hoogste jaren van een technische school is behoorlijk zwaar), ik publiceerde tientallen teksten over nog meer Nederlandstalige romans, ik werkte niet alleen mee aan Kreatief, maar ook aan ander literaire bladen, schreef daarnaast een tweetal schoolboekjes cursorisch lezen (Hugo Claus)  en twee lemma’s (over Dirk De Witte en Dirk van Babylon) in het Kritisch Lexicon van de Nederlandstalige Literatuur. De dichtbundel Randstad living – Impressie van een slaapstad uit 1997 was een tussendoortje dat ik schreef in opdracht van het culturele centrum van Ganshoren. Ik wist toen niet hoe het verder moest met mijn poëzie.
 
Ik was gehuwd, maar toen mijn dochter bijna zes jaar jong was, raakte ik verwikkeld in een onbeschrijflijke vechtscheiding die ongeveer tien jaar duurde en die ik niemand kan aanbevelen. De rest is privé. Ik kan alleen maar vertellen dat het enorm moeilijke jaren waren.  Het is dus niet vreemd dat er weer tien onproductieve jaren voorbijgingen voordat ik in 2007, dankzij de aanmoedigingen van mijn goede vriend Bert Bevers, tot de beslissing kon komen om weer een bundel te publiceren: Zwijgboek. Ik was in 2005 meermaals zwaar ziek geworden en wilde met Zwijgboek (de titel zegt wat hij suggereert) mijn bescheiden oeuvre afsluiten. Een poëtisch afscheid. Maar een afscheid dat, zoals achteraf zou blijken, niet definitief was. Door mijn ziekten (meervoud) moest ik in 2006 met pensioen.
 
Ik ben toen negen lange jaren bezig geweest met herstellen. Twee stappen vooruit, twee stappen achteruit. Maar toen kroop ik moeizaam, maar eindelijk, uit de put en was ik, rekening houdend met mijn fysieke en mentale toestand, klaar voor een tweede poëtische ontwikkeling, die ik begon met Het boek nul (2013), een bundel die de neerslag is van voortdurend omgaan met pijn en van de wil om je niet gewonnen te geven. Tussen 2006 en 2013 – magere jaren vol zwarte gaten - belandde ik meer dan twintig keer in het ziekenhuis.
 
 
3/ Je schenkt aan Poëziecentrum een prachtige houten sculptuur die je zelf maakte in 1979. Kan je daar iets meer over vertellen? Waarom heb je dit werk gemaakt? Is dit een eenmalige plastische onderneming of heb je nog beeldend werk gemaakt?
 
Ik ben altijd al gefascineerd geweest door lettertekens en woorden die in hout uitgehakt zijn. Een gedicht in hout gebeiteld is het resultaat van fysieke arbeid gebaseerd op een poëtische creatie. Ik wilde zo’n “gedicht op hout” wel eens maken, maar het wordingsproces had ik wel onderschat … . In 1979 was mijn werkmethode nogal primitief, ik deed alles met de hand. In het dagelijkse leven bestonden computers die je kunnen helpen bij het ontwerpen van een model, nog niet. Ik koos een stuk hout en een geschikt lettertype, en tekende dan elke letter op het hout. Berekende spaties, correcte grootte en verhoudingen, het was een studie van de twee- en zelfs driedimensionale ruimte van de plank, want je kunt het je niet veroorloven een versregel te “tekenen” waarvan de laatste letter niet meer op de regel past. Ik vertel niets nieuws: je gedicht mag niet te lang of te breed zijn. En dan kwam het beitelen. Kappen in de richting van de houtvezel is nauwelijks een probleem, maar als je haaks op de vezelrichting beitelt, loop je het gevaar het hout te beschadigen en dan is alle moeite voor niets geweest. Je mag ook niet te diep houwen. Het reliëf moet gelijkmatig zijn.  Je moet dus gefocust blijven, want elke fout vertaalt zich in weggooien en alles herbeginnen. Ik was 25 in 1979 en had geen enkele ervaring. Ik heb toen bloed en tranen gezweet, want ik zat elke dag een paar uur op mijn knieën (op de vloer) om letters te tekenen en uit te hakken. Dagen nadien had ik nog steeds pijnlijke knieën.
 
Waarom ik het gedicht Lied van lief en lafenis op hout gemaakt heb? Ik wilde weten hoe het voelde fysieke arbeid te verrichten om zo’n sculptuur te maken. Maar ik was nadien wel geleerd: zo’n arbeid zou ik voortaan aan professionele houtbewerkers en -kappers overlaten. Het is natuurlijk duidelijk dat Lied van Lief en lafenis gebeiteld is door een amateur. Maar ik ben wel trots op dit werk.
 
In die jaren volgde ik met grote aandacht de ontwikkelingen in de visuele en concrete poëzie. Ik maakte zelf ook wel enkele concrete / visuele gedichten. Ik had in de jaren zeventig wijlen Paul de Vree leren kennen (en enkele andere eerbiedwaardige vertegenwoordigers van het genre) en hij publiceerde tussen 1975 en 1979 een paar visuele gedichten van mij in zijn legendarische tijdschrift De Tafelronde.
 
Daarnaast maakte ik occasioneel ook wel een plastisch werkje, zoals een micaplaat waarop ik met silicone een begrip als “agressivitatortur” spoot, of ik kleefde een hele oppervlakte vol met vermicellisoeplettertjes die na kleuring op een kraterlandschap  uit WOI geleken. Zo ontstond in 1982 mijn De nachtmerrie van de schrijver.
 
Ik werkte eveneens met een elektrische schrijfmachine en componeerde met het alfabet hele (woord)beelden op A4. Afbeeldingen van enkele beeldende werken vind je op de fotopagina van mijn website: http://www.philippecailliau.com/index.php/fotoalbum/35-fotoalbum/73-fa-literatuur. Toen ik later het prachtige visuele en concrete werk van een dichter en plastisch kunstenaar als Renaat Ramon zag, was ik maar al te blij dat ik na de beginjaren tachtig gestopt was met mijn visuele poëziepogingen. Geef de keizer wat des keizers is. 
 
Ik schenk de sculptuur Lied van lief en lafenis uit 1979 aan het Poëziecentrum uit waardering voor alles wat het momenteel voor onze poëzie doet (en dat is bepaald niet weinig!) – én opdat ik me na mijn dood niet in mijn graf zou moeten omdraaien omdat mijn erfgenamen het gebeitelde Lied van lief en lafenis reduceren tot een fijne plank “hout” die na enkele bijlslagen ideaal aanmaakhout wordt voor de open haard of de houtkachel op een gezellige winterse avond.
 
 
4/ Tot slot: je recentste dichtbundel Tot de stenen wortel schieten dateert van 2016. Mogen we binnenkort nog nieuw werk van je verwachten?
 
Inderdaad. Ik werk momenteel aan een nieuwe bundel. (Ik ben daarnaast een keuze uit mijn verzamelde gedichten aan het samenstellen.) De nieuwe bundel heeft “water” als een van de grondthema’s (water is het symbool van het leven en ik woon niet voor niets in Oostende, de stad aan zee). De werktitel is Omtrek van water. Enkele gedichten uit deze bundel zullen in een van de komende nummers van Poëziekrant verschijnen. Ik hoop dat de bundel het licht zal zien in 2019. Misschien zal de bundel dan een andere titel hebben – er is nog niets beslist. 2019 is drie jaar na de publicatiedatum van Tot de stenen wortel schieten, maar er is in die periode weer eens veel gebeurd dat mijn creativiteit heeft gedwarsboomd.
 
 
Voor meer info verwijs ik graag naar mijn website: http://www.philippecailliau.com/
 
 
Poëziecentrum en 
Philippe Cailliau
Oostende, 10 augustus 2018        




Gwenny Cooman, Een nieuwe dichtbundel van Philippe Cailliau, in: Uit in Oostende, O'verture special, september 2016, pp. 18-19 (vraaggesprek naar aanleiding van de presentatie van de bundel Tot de stenen wortel schieten (Uitgeverij Kleinood & Grootzeer) in zaal Forum van de bibliotheek Kris Lambert te Oostende op 24 september 2016, 14u00).


Hier volgt het oorspronkelijke, volledige vraaggesprek met bijgevoegde gegevens:


Oostende, metaforenstad van Philippe Cailliau
 

Interview: Gwenny Cooman
 
Hotel du Parc is gesloten, dus spreken we af in het Leopoldpark. ‘Zie ons hier zitten, middenin de stad, maar toch op een rustige plek’.
Dichter Philippe Cailliau woont sinds kort in Oostende, een stad die hem aanspreekt, een stad die hij omschrijft als een stad van metaforen, van artistieke verrassingen, van levenslust. Een stad die in zijn volgende bundel een reeks van tien gedichten krijgt.

 
 
In september verschijnt ‘Tot de stenen wortel schieten’. Behalve Oostende, komt ook Brussel aan bod. Hoe autobiografisch is de nieuwe bundel?
De cyclus over Brussel is geschreven naar aanleiding van mijn vertrek uit die stad, de cyclus over Oostende naar aanleiding van mijn aankomst in mijn nieuwe thuisstad. Dus dat hangt inderdaad samen met mijn levenskeuzes, met afscheid nemen en opnieuw beginnen. Er zijn ook nog drie andere hoofdstukken in de bundel, een eerste waarin thema’s als opgroeien, agressie, liefde, hoop, chaos, identiteit en de existentiële vragen hierrond aan bod komen. Het is het gedeelte dat focust op de condition humaine. Een tweede gaat over metataal en communicatie, en een derde over oorlog en dood.
 
Taal is een thema dat al bij de eerste publicaties in je gedichten aanwezig was. Het valt me nu ook op dat er af en toe een Oostends woord in de Oostendegedichten opduikt, terwijl dat niet jouw dialect is.
Daarvoor heb ik het woordenboek van Roland Desnerck gebruikt. Het past in het ritme en de taal die ik in die gedichten gebruik. De gedichten zijn ook gelaagd, je ontdekt meer naarmate je het een paar keer leest.
 
Het wordt opnieuw een uitgave bij Kleinood & Grootzeer. Je houdt van het bibliofiele karakter?
Inderdaad, de uitgever maakt de boekjes zelf, een echte vakman. Door zijn uitgaves te zien, kreeg ik na mijn eerste schrijfperiode toch opnieuw zin om iets te publiceren.
 
Je eerste schrijfperiode?
In de jaren 70 en 80 schreef ik experimentele gedichten en publiceerde ik 5 bundels. In de jaren 90 kwam toen nog een bundel en in 2007 schreef ik Zwijgboek. Ik had de intentie om daarna te zwijgen, niet meer te schrijven en niks meer uit te geven. Het waren jaren waarin ik zwaar ziek was en vooral bezig was met overleven. Maar na contact in 2011 met Bert Bevers en de verzorgde publicaties van Kleinood & Grootzeer, werd mijn goesting opnieuw geprikkeld. In 2013 kwam ‘Het boek nul’ met pijn als centraal thema. Nu ben ik van plan te blijven schrijven tot de stenen wortel schieten (met andere woorden geen plannen om ooit ermee op te houden!).
 
Lees je zelf ook veel?
Er was een tijd dat ik debuutromans besprak voor het tijdschrift Kreatief. Toen las ik dus vele tientallen romans. Sommige debutanten zijn doorgegroeid tot voltijdse schrijvers. Mijn voorspelling dat Stefan Hertmans ten tonele zou blijven, is uitgekomen. Zo zijn er nog wat, maar velen zijn verdwenen.
 
Welke setting is een ideale schrijfsetting voor jou?
Terwijl ik vroeger nog wat klassieke of polyfonische muziek kon opzetten, moet het nu volledig stil en rustig zijn. Vast daarom dat ik soms ’s nachts de eerste strofe van een nieuw gedicht schrijf. Ik zou niet kunnen schrijven in een setting zoals Joseph Roth dat deed, in een café, te midden van mensen en heel wat afleiding.
 
En we mogen dus nog meer werk verwachten?
Ik zal altijd, tot mijn einde, (willen) blijven schrijven. Sinds ‘het boek nul’ is de thematiek van de bundels steeds breder geworden. We zullen wel zien waar het heen gaat.
 

Bij de afbeelding van de voorzijde van de bundel:
Philippe Cailliau publiceert zijn tiende dichtbundel Tot de stenen wortel schieten op 24 september. De eerste druk van de dichtbundel verschijnt in een oplage van 100 genummerde en door de auteur gesigneerde exemplaren. Zijn werk verscheen reeds in meer dan 50 tijdschriften.
 
 
 
KADERSTUKJE bij de tekst:
Het gedicht ‘Petanque’ van Philippe Cailliau kreeg een plekje in de sportpoëzieroute in het sportpark De Schorre. De route omvat 17 gedichten die elk op een unieke manier vormgegeven werden in het landschap. www.oostende.be/sportpoezieroute
 
 
 

Gedicht gepubliceerd bij het vraaggesprek:

6.
 
Wij mensen menen veel, wenen ellende
aan elkaar, vermanen elke vreemdeling,
verleggen alle grenzen. Denken, als het even
kan, met nostalgie aan andere steden,
andere bedden. Afstammen doen wij
van de zeenomade. Bevolkingsdicht zijn
al die slapers die we zijn, die onvolmaakt.
 
Nooit anders dan getooide vrouwen
schonk de zee. Hoogzwanger, zwijgend
tot het tegendeel, toch sprekend tot
haar aan elkaar gevlochten zoons:
vermenigvuldig alle hoop en zalf.
 
De havenmeesters slaan hun munt.
Hun gecodeerde zeilentaal. Dan grendelen
zij de haven af - als wolken zwart en dreigend
stil geworden zijn. Zij zwemmen
met hun vleugels veilig weg, alleen,
gerustgesteld, en vragen alle wakkeren
de bundels licht te volgen. Ook ik verlaat
en tel de sporen van wat komen zal.
De toren leidt de taal, dat is mijn vuur.
 
Het keurigste West-Vlaams hangt
in de lucht: met zeilen, open
boten en motoren; met ziljen, oopm
sjhovers en moteurs.
 
 
© Philippe Cailliau
 
(Uit de cyclus ‘Oostende. North Seascape’. De cyclus van 10 gedichten verschijnt in de bundel Tot de stenen wortel schieten, Kleinood & Grootzeer, 2016)
 
 
 





 




# (Uitgeschreven interview)

Dichter Philippe Cailliau neemt nieuwe start

Inspiratie uit een nulpunt

“Met Het Boek Nul heb ik het gevoel een nieuwe start te nemen. De poëzie is minder experimenteel en meer inhoudelijk en contemplatief”, zegt de Rodese dichter Philippe Cailliau. Na zes jaar stilte brengt hij opnieuw een bundel uit, over onzekerheid, twijfel en fysieke pijn. Na vier hartaanvallen is hij ervaringsdeskundige.
 “Ik ben geen vlugschrijver”, zegt Philippe Cailliau en dat is een understatement. Zijn vorige dichterswerk dateert van 2007 en had toen al de sprekende titel Zwijgboek, waarmee Cailliau in één woord toegaf dat het een zeer lange tijd stil was geweest rond zijn persoon – toch zeker als dichter, als woordenkunstenaar op de korte regel, als gebalde taalvirtuoos.

Philippe Cailliau maakte vooral in de jaren zeventig furore. Na zijn debuut De moordenaar en zijn vroedvrouw uit 1975, bracht hij vijf bundels uit in zowat evenveel jaren, maar na Compagnie van de Internationale Amnestie (1982) was het dus niet minder dan vijfentwintig jaar wachten voor hij zijn pen uit de kurkdroge inkt murwde of een nieuwe stylo kocht. Al moet u ook die woorden niet te letterlijk nemen: deze germanist en leraar Nederlands stak zijn liefde voor de taal nooit onder schoolbanken en bleef literair-kritische bijdragen over proza en losstaande gedichten leveren aan literaire tijdschriften als Groot Vizier, Nieuw Vlaams Tijdschrift, Kreatief en Maatstaf. In 1997 verscheen ook nog de dunne dichtbundel Randstad Living – Impressies van een Slaapstad. Om maar te zeggen – het mag al eens in simpele taal: we hebben hier in Rode te maken met een topper.

Al is het te veel eer om van ‘talent van eigen bodem’ te spreken, want die bodem ligt een flink eind verderop. Philippe werd in 1954 in Congo geboren, als zoon van een beroepsmilitair. De appel werd in de familie Cailliau wel heel ver van de boom geslingerd. De jonge Philippe volgde vader en moeder naar een stationnement in Duitsland en moest er zijn jeugd in kostscholen doormaken. Niet echt een tijd waar hij lyrisch van wordt, in zijn werk is er geen spoor van terug te vinden. Laat het maar vlug zijn zoals het was.

Neen, Philippe Cailliau woonde zijn volwassen leven in Brussel en Ganshoren, was getrouwd en heeft een volwassen dochter Sophie, naar wie hij een van zijn gedichten noemde. Voor een nieuwe liefde trok hij enkele jaren geleden Rode in. Op 27 april stelde hij er in de bibliotheek Het Boek Nul voor.

Stijlswitch

Philippe Cailliau trekt zijn privéleven zelden in gedichten door. Toch is zijn stijl met zijn persoon veranderd. “In de jaren zeventig kon je dichters in kampen onderbrengen: de neo-realisten, de neo-romantici en de neo-experimentelen. Ik behoorde tot die laatste groep en hechtte veel plezier aan spelen met de taal. Een gedicht was waardevol op zichzelf en moest niet per se aaneen bestaande situatie refereren. Het was een middel om mijn ‘ik’ te exploreren”, zegt Philippe Cailliau. “Mijn poëzie was in de eerste plaats polyinterpretabel, de woorden en regels hadden dubbele betekenissen. Het was aan de lezer om er in alle vrijheid zijn interpretatie aan te geven.”

“Die stijl heb ik natuurlijk niet volledig verlaten, maar in Het Boek Nul kan je beter ontdekken waarover het gedicht gaat”, legt de dichter uit. Hij is ouder geworden, contemplatiever ook en wil betekenis leggen in zijn tekst. Het beginnende speelse maakt plaats voor diepere inhoud.

Pijngrens

Het Boek Nul is voor Philippe Cailliau zowel een terugblik als een nieuw begin. “Ik maak de balans op. Ik kijk terug op wat mijn leven was en kijk naar wat er nog in het verschiet ligt”, zegt de eeuwige denker.

Het zijn soms ongemakkelijke kronkels in hoofde Cailliau. Het Boek Nul getuigt van twijfels en onzekerheden van het individu en tussen de regels zit pijn bedrukt. Geen hartenpijn, maar doodgewone, fysieke en keiharde pijn. Philippe Cailliau was amper één dag vijftig jaar bij zijn eerste hartaanval, er zouden er nog drie volgen. Ook andere gezondheidsproblemen tergen de woordenmetselaar. “Ik denk dat je kan sterven van de pijn”, zegt Philippe. “Ik heb getwijfeld om over mijn gezondheid te spreken in een persartikel. Maar ik denk dat het moet, want ze zegt iets over mijn poëzie.”

Johan De Crom

Het boek nul verschijnt bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer en kost 16 euro  
www.kleinood-en-grootzeer.com 

KADERSTUK   

Richter

De ogen zijn gevuld, dag en nacht
en dag, gevuld met lichte achterdocht.
In de hoofden rollen rupsvoertuigen af
en aan en knarsen in hun vet. Dit is het leven
 
nadat de hartslag op de schaal van Richter
de zeven komma negen bruusk wist
te benaderen. Op een nipper na waren er
alleen axioma's die nergens toe dienen.
 
Dat was het falen: zelfs niet weten
dat de ouderdom vaak wijsheid, maar
vooral veel tranen en wat faling brengt.
 
Terwijl de anderen wel beter wisten,
stelden zij ter schrift: alles, ook de schaal.
Toen schoven zij de angstdroombeelden weg
tussen de warme vliezen in hun onderbuik.
 
(Gedicht: © Philippe Cailliau)
 
Tekst overgenomen met de toestemming van de auteur, Johan De Crom, en met de toestemming van vzw De Rand.
 
Bron:
Johan De Crom, Inspiratie uit een nulpunt. Dichter Philippe Cailliau neemt nieuwe start. In: Buurten (Sint-Genesius-Rode), jaargang 15, nr. 5 , mei 2013, pp. 10-11. (Uitgeschreven interview)
 




#
Erik Vermeulen, De meester van het spel, in: Actua Press Special, Medianummer, 03/1995, pp. 6-7 (over TV-amusement). Gesprek met Philippe Cailliau, leraar media te Brussel.






#
Luuk Gruwez, ‘Het neo-realisme vind ik akelig’. In: Yang, nr. 73, februari 1977, pp. 22-27 (themanummer Daar komen de tachtigers al aan. Een keuze uit de recentste Zuidnederlandse poëzie. Samenstelling: Daniël Billiet & Luuk Gruwez).