(Auto)biografisch
 





6*





5*


"De ezelbrief"  (21 februari 2017).
Aan Frank Pollet, naar aanleiding van zijn jeugdroman "Want een ezel is een voorbeeldig mens" uit 2014.


 
 
21 februari 2017, des avonds
 
 
Goede Frank

Als een mens veel leest, komt hij wel eens een (tekst)fragment tegen dat hem behoorlijk verbaast, dat hem zelfs lichtjes doet verschieten, dat hem een aha-moment bezorgt. Kortom: dat zijn hart één slag doet overslaan. Het eerste wat hij dan doet, is die pagina, die alinea of die idee of zin van de schrijver in kwestie opnieuw lezen terwijl hij zich afvraagt of hij wel goed gelezen heeft, waar de herkenning van dat fragment vandaan komt. Want toeval in de literatuur - bestaat toeval in de literatuur? Als aandachtige lezer denkt hij: dit is waarachtig te mooi, er moet een literaire god bestaan.

Ik verklaar me nader, Frank, want je bent je vermoedelijk aan het afvragen wat er met mij aan de hand is. Neen, ik heb niet gedronken, je weet dat mijn dronkenschappen al tientallen jaren verleden tijd zijn. Neen, ik hallucineer noch bazel onzin. Ik stel gewoon vast dat de literaire boekenwereld klein is, ook de wereld van de wereldliteratuur, dat literaire ideeën en beelden niet zo uniek zijn als de gebruiker van die beelden wel zou wensen. Het is een kwestie van het juiste boek in handen te hebben.

Het voorbije jaar heb ik me een hele reeks autobiografische geschriften aangeschaft die uitgegeven zijn door De Arbeiderspers, in de unieke serie Privé-domein. Veel van die boeken zijn niet meer te koop en je moet je al in het tweedehandscircuit begeven om de ontbrekende delen te vinden en aan te kopen, de ene titel voor een prikje, de andere aan wel het dubbele van de oorspronkelijke prijs: de verkoper of de antiquair weet in dat geval wat hij aanbiedt en wat dat mag kosten. Maar de zoektochten hebben mijn inspanningen beloond: ik heb me een aantal delen kunnen aanschaffen die ik voor geen geld nog uit handen wil geven. Het is met mij altijd hetzelfde probleem: als de boeken uitkomen, heb ik er geen belangstelling voor, en als ze dan uitverkocht zijn, als de uitgever geen heil meer ziet in een zoveelste herdruk, dan besef ik ineens wat ik aan het missen ben en wil ik dat bepaalde boek te allen prijze in mijn geestelijke en papieren bibliotheek hebben. De wereld op zijn kop. Dat heb je met veellezers die meer willen kunnen lezen dan de tijd die hun op de aarde is gegund, hen schenkt.

Gisterenavond was ik aan het lezen in het Privé-domeindeel Portretten van Maksim Gorki (pseudoniem voor Aleksej Maksimovitjs Pesjkóv). Portretten werd vertaald door C.J. Pouw. Dit ter informatie. In dat boek verzamelt Gorki diverse losse aantekeningen over zijn ontmoetingen met grote namen uit de Russische literatuur. Elke verzameling wordt dan een portret. Het eerste is gewijd aan Anton Pavlovitsj Tsjechov. Het is een portret dat van tederheid en vooral van respect voor Tsjechov als mens en verhalenschrijver getuigt. Het tweede betreft Lev Nikolajevitsj Tolstoj. Gisteren las ik de aantekening nummer 21 van Gorki over Lev Tolstoj. De meester zélf (Tolstoj, dus) heeft het in dat stuk over het bij tijd en wijle vreemde taalgebruik van zijn gewaardeerde collega Fjodor Michailovitsj Dostojevski. Gorki citeert (pp. 43-44) wat Tolstoj nogal neerbuigend daarover zegt: “Hij schreef afschuwelijk en zelfs met opzet lelijk; ik ben ervan overtuigd, dat hij dat expres deed, uit een soort koketterie. Hij wilde de aandacht trekken. In De idioot zegt hij ergens: “Met een onbeschaamde opdringerigheid en teneinde te affichiëren dat zij elkaar reeds kenden.” Volgens mij heeft hij het woord “afficheren” met opzet verminkt, omdat het een vreemd, uit het Westen afkomstig woord is (…). Maar er zijn bij hem ook onvergeeflijke blunders aan te wijzen: de “idioot” zegt: “De ezel is een goed en nuttig mens”, maar niemand die er lacht, ofschoon deze woorden beslist gelach of de een of andere opmerking aan de toehoorders moeten ontlokken. Hij zegt dit in het bijzijn van de drie zusters en die namen hem maar wat graag op de korrel. Aglája vooral.”

Ik was aangenaam verbaasd toen ik deze passage las, Frank. De reden daarvan ken je zeker en vast. Omdat ik het adagio ‘check – double check’ huldig, ben ik dadelijk op zoek gegaan naar de aangehaalde passage in De idioot van Dostojevski. Ik heb die roman in een oude editie in mijn piepjonge studentenjaren nog ooit gelezen, maar ik herinner me er alleen de grote lijnen van, niet de details en opvallende uitspraken.  De idioot is door Van Oorschot uitgegeven in de Russische Bibliotheek, in dundruk, wat ook kleine karakters impliceert en veel tekst op een pagina - je kent die dure delen van het literaire en biografische oeuvre van diverse Russische schrijvers wel. Die dundrukreeks behandel ik met liefde en met de grootste eerbied. De idioot, in een recente vertaling van Arthur Langeveld, verscheen in 2013 als nummer 6 van Dostojevski’s Verzamelde werken. De idioot is een roman van 663 dichtbedrukte bladzijden en verscheen voor het eerst in hoofdstukken in een Russisch tijdschrift in 1868, met name in De Russische bode.

Het is niet vanzelfsprekend een ezelpassage terug te vinden in een dikke, goed gevulde dundruk. Ik begon van achter naar voor en kwam tot: niets. Geen vruchtbare zoekmethode, dus. Een mens moet het geluk een beetje aan zijn kant hebben. Maar de ezel wilde niet opduiken, bijna 700 pagina’s lang. Dan maar de omgekeerde zoekrichting geprobeerd, geduldig en pagina na pagina diagonaal lezen, … . Op de bladzijden 64 en 65 had ik al prijs!

Op bladzijde 64 is vorst Mysjkin, de idioot van de titel, aan het woord. Hij vertelt de generaalsvrouw (maman, die samen met haar drie dochters naar hem luistert) het volgende: “Iets van binnen wilde me dood hebben. Uit deze duisternis ontwaakte ik pas de avond in Bazel, bij mijn aankomst in Zwitserland, toen ik wakker werd door het gebalk van een ezel op het marktplein. De ezel maakte diepe indruk op me en viel om de een of andere reden erg bij me in de smaak (…).” Wat verder (bladzijde 65) vervolgt hij: “Sindsdien houd ik ontzettend veel van ezels. Dat zijn zulke sympathieke dieren. (…) ik ben meteen tot de ontdekking gekomen dat het een uiterst nuttig lastdier is, sterk, geduldig, goedkoop taai (…).”

De generaalsvrouw probeert het gesprek een andere wending te geven, maar vorst (prins) Mysjkin komt terug op zijn ezelervaring. “Ik blijf bij mijn ezel”, zegt hij, “ een ezel is een goed en nuttig mens”.  De generaalsvrouw stelt dan de vraag: “En bent u ook een goed mens, vorst?”

Tot zo ver de studie bij Gorki, Tolstoj en Dostojevski van de tekstfragmenten met de ezel als een positief mens. Voor de volledigheid moet ik (in Gorki’s Portret) Tolstoj corrigeren wanneer hij beweert dat niemand tijdens de ezelconversatie lacht: in de passage in De idioot wordt er tijdens het gesprek met vorst Mysjkin door de vier vrouwen wél gelachen. 

Je merkt het, Frank, bij Gorki, Tolstoj en Dostojevski lezen we geen kwaad woord over de ezel. Ik weet dat jij zielsveel van ezels houdt, dat bij je thuis twee schattige ezels wonen, de broers Victor en Henri, die zo goed als volwaardige leden van je huishouden en je gezin zijn, net als je rashennetjes en andere schattige knabbelaars.

Ik heb een hele omweg afgelegd om tot de kern van deze brief te komen.

De ezels, dus. Ezels zijn voorbeeldige mensen. Ezels zijn goede en nuttige mensen. Wanneer je breed interpreteert, kun je stellen: als de mens wat meer goede eigenschappen van de ezel zou overnemen, dan zou hij een goed en nuttig mens zijn. Want ezels zijn nuttig en hebben een goed karakter. Maak er desgewenst een metafoor van: ezels zijn als goede, als nuttige, als voorbeeldige mensen.
In 2014 verscheen van jou het schitterende jongens-en-meisjesboek Want een ezel is een voorbeeldig mens. Een fijn boek, waarvoor je heel terecht schitterende recensies en lauwerkransen hebt mogen ontvangen (de Inclusieve Griffel 2015 en de Eerste Prijs van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen 2016). De in het oog springende titel van het boek zal zeker – en heel terecht – wat bijgedragen hebben tot de goede perceptie van het bekroonde boek. Het is ook een knappe titel, die je niet gauw vergeet. In een extra berichtje achteraan het boek, op bladzijde 254, schrijf je dankbaar: “Dank aan de dichter en ezelman Theun de Winter die de titel van dit boek heeft bedacht.”

Die dankbetuiging wakkert mijn nieuwgierigheid aan. Daarom stel ik me de volgende vraag, Frank, het gaat tenslotte om een literaire wetenswaardigheid. Heeft dichter en “ezelman” Theun de Winter jou die titel aan de hand gedaan zonder dat hij zelf ervan op de hoogte was dat Dostojevski in De idioot via het personage vorst Mysjkin de ezel kwalificaties gaf die erg gelijken op de kwalificatie van de ezel in jouw boektitel? Dat zou kunnen. Ik kom terug op mijn inleidende woorden: bestaat literair toeval? De kwalificaties goed en nuttig, en voorbeeldig liggen heel dicht bij elkaar, toch? Het woord “want” maakt het verschil niet.

Ik las onlangs een essay van Tsvetan Todorov over geheugen en herinnering. Aan die twee begrippen moet ik nu denken. Ik ga ervan uit dat Theun de Winter in zijn jeugdjaren De idioot van Dostojevski gelezen heeft, maar de bijzonderheden, de dialogen en beelden al heel lang vergeten is. In zijn onderbewuste is de ezel-mensmetafoor wellicht altijd blijven hangen. In de mist en sluiers der tijden, in de moerassen van de jaren, zeg maar. En toen jullie het over jouw ezelroman hadden, zal het beeld uit de duisternis tevoorschijn gekomen zijn, welwiswaar in licht gewijzigde vorm, maar toch nog dicht genoeg bij Dostojevski’s metafoor. Het is een plausibele verklaring.

Hopelijk vind je het een verrijking dat de oorsprong van je boektitel aan de oppervlakte is gekomen en dat je boek in tweede instantie een hommage is geworden aan een bijzonder illustere literaire voorvader. Ik lees je titel als het resultaat van een gelukkige opgraving uit de diepe lagen van het onderbewuste, dat meer van een boek onthoudt dan het bewuste van een wakkere lezer. Jaren en jaren na elkaar eroderen beelden en metaforen van een leeservaring, maar de kern ervan vindt blijkbaar altijd wel de weg naar buiten. Het is als beelden uit een droom: ze zijn er, maar waar komen ze vandaan?

En jij, Frank? Je kunt, net als wij allemaal, niet alles gelezen hebben. Gorki, Tolstoj en Dostojevski liggen nu niet bepaald op iedereen zijn nachtkast.

Hugo Claus haalde voor zijn werken zowat overal zijn mosterd vandaan, en niemand heeft hem dat ooit kwalijk genomen. Integendeel, zijn reminiscentietechniek dwong bewondering af, er werden thesissen en boeken over geschreven. Jouw titel mag dus net zo goed een interessante literaire ontstaansgeschiedenis hebben.

Misschien hebben we iets aan deze brief. Belangrijk is, dat de oorsprong van de titel van je boek ook vanuit een andere hoek belicht wordt.

Schrijf nog veel mooie jeugdboeken, Frank, en groet Henri en Victor van me. Ze zijn fantastische jongens!

Ik hels je om – als steeds.

Philippe
 
Philippe Cailliau
Oostende, IJzerstraat 22

Zie ook: "De schaal van Digther", 14 april 2017:  http://digther.blogspot.be/2017/04/de-ezelbrief-philippe-cailliau.html  

  


4*

De Onbewoond Eilandkeuze van Philippe Cailliau

(Reeks van Bert Bevers in Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie

Autobiogragrische tekst (bewerkt door Bert Bevers) over boeken, films, beeldende kunst en muziek om mee te nemen naar een onbewoond eiland.
Zie: http://mededelingen.over-blog.com/article-de-onbewoond-eilandkeuze-van-philippe-cailliau-124196013.html , zondag 20 juli 2014.
Verscheen eveneens in de papieren en pdf-versie van Centrum voor Documentatie en Reëvaluatie, Mededelingen, Jg. 12, nr. 237, 30 september 2014, pp. 11-12



3*

Presentatietoespraak van Frank Pollet op 25 september 2014 in Den Hopsack, Antwerpen, naar aanleiding van het verschijnen van de dichtbundel "Niets verloren"

Toespraak bij de presentatie van Niets verloren van Philippe Cailliau door Frank Pollet, 25 september 2014. Den hopsack, Antwerpen.
 
Inleidende bedenkingen
 
Goede avond dames en heren.
 
Philippe Cailliau en ik delen een verleden.
Nee, we hebben nooit samengewoond, we hebben nooit seks gehad. Althans
niet met elkaar. Maar we hebben, zeer lang gelden, bijvoorbeeld wel gedichten
gepubliceerd bij dezelfde tijdschriften. Voor de jonge gasten onder u: ik heb
het hier over de vorige eeuw, meer bepaald de jaren 1970 en 1980. Toen leefde
er een heel circuit aan literaire tijdschriften waarin jonge snaken zich als het
ware opwarmden voor het echte werk. Het werkte ook motiverend, want bij
elke publicatie ontving je een auteursexemplaar van het tijdschrift, en dat was
meegenomen, want als student met een krappe beurs moest je het aantal
abonnementen zoveel mogelijk beperken. In die tijdschriften kwam je steeds
dezelfde namen tegen. Een daarvan was de neo-experimenteel Phil Cailliau.
(Voor degenen die denken dat ik Philippes naam verkeerdelijk afkort: de man
schreef toen onder het pseudoniem Phil Cailliau.)
 
Philippe en ik delen dus een verleden van publicaties in dezelfde literaire
tijdschriften. En we hebben bundels gepubliceerd bij dezelfde uitgeverijen.
Dus liepen we elkaar wel eens tegen het lijf. Het eerste boekje dat ik van hem
kocht, in 1980, en dat hij keurig van een persoonlijke opdracht voorzag, heette
De leer van Etymon & Hoe meervoudig dit lieve lichaam. Het bleek zijn derde
bundel te zijn. Het boekje verscheen in de Yang Poëzie Reeks waar wel meer
fraai volk mooie bundels het licht liet zien. Roland Jooris, Marcel Van Maele,
Lucienne Stassaert, Wilfried Adams, Roel Richelieu Van Londersele, Eriek
Verpale, Joris Denoo. En Frank Pollet.
 
In 1981 stapte Phil Cailliau, die er toen nog uitzag als een voorbeeldige leraar
Nederlands, over naar de Nederlandse uitgeverij Wel waar hij de bundel
Wedersamenstelling publiceerde. Uitgeverij Wel, gevestigd in Bergen op
Zoom (onthoud die plaatsnaam!), was een heel mooi initiatief dat werk van
onder anderen Bert Bevers, Johanna Kruit, de betreurde Frans Mink, Bies Van
Ede, en Albert Hagenaars uitgaf. En vanaf 1983 ook diverse bundels van
Frank Pollet.

Uit die tijd dateert mijn eerste kennismaking met Phil Cailliau, ten huize van
Albert Hagenaars in Bergen op Zoom. Van die ontmoeting, meer dan 30 jaar
geleden, herinner ik me de gevolgen van overvloedige sambal in het eten, en
de man die mij fysiek schrik aanjoeg met zijn lange haar, ruige baard, en zijn
overvloedig rook- en drinkgedrag.
 
Van Phil Caillau verscheen in 1982 nog een kleiner boekje, Compagnie van de
Internationale Amnestie. En toen werd het op poëtisch vlak stil rond de man.
Vréselijk stil. Vijftien jaar stil. Phil Cailliau publiceerde enkel nog recensies.
De dichter leek uitgeschreven, de mens had huwelijksproblemen.
In 1997 dook Cailliau plotseling op met Randstad living, een boekje dat
verscheen naar aanleiding van 10 jaar project Gemeenschapscentrum De Zeyp
in Ganshoren. Volgens de inleiding moest de publicatie Cailliaus  ‘rentree in de
wereld van de poëzie’ inluiden. Phil heette nu Philippe. Maar veel meer dan
een kleine opleving, een tussendoortje, bleken deze 6 gedichten niet te zijn.
Want opnieuw werd het stil. Tien jaar stil. Philippe Cailliau had geen fut meer
om te schrijven. Hij moest al zijn energie investeren in het overwinnen van
vier hartaanvallen, in het vechten tegen darmproblemen en het recupereren
van diverse operaties.
 
En toch verscheen in 2007 een dichtbundel met de toepasselijke titel
Zwijgboek, ditmaal bij de kleine uitgeverij De Oostakkerse Cahiers, geleid
door Bert Bevers. Die gaf voordien werk uit van onder anderen Aleidis
Dierick. In mijn ogen is Zwijgboek verdienstelijk, maar niet meer dan dat. De
bundel bracht Philippe Cailliau wel weer onder de levenden. Zij het voor even
maar, want opnieuw werd het heel erg stil. De dichter wilde stoppen met
schrijven, ditmaal voorgoed.
 
6 jaar later was daar plotseling Het boek nul. Een klein boekje, maar een
behoorlijk belangrijke bundel in het oeuvre van de dichter. Hoewel het
formele aspect van deze poëzie opvallend belangrijk bleef, trad het facet
inhoud sterker op de voorgrond. De taalvirtuoos Cailliau had zijn
vormbeheersing aan een inhoudelijk grotere openheid gekoppeld, en dat
maakte de poëzie sowieso groter dan al zijn vorige werk.
 
Het boek nul verscheen in 2013 en dat zou je voor Cailliau het jáár nul kunnen
noemen. Wat voorbij was, had zijn plaats gekregen. Maar de dichter keek ook
naar wat er aan toekomst wachtte. En dat was niet zo’n makkelijke oefening
voor een man die onder andere vier hartaanvallen had overleefd, en elke dag
fysieke pijn lijdt. Philippe Cailliau is geen klager, maar kon blijkbaar toch niet
anders dan pijn omzetten in taal. Het zou oneerlijke poëzie hebben opgeleverd
had Philippe dat aspect uit zijn poëzie hebben verzwegen.
 
Het boek nul betekende niet alleen starting from scratch met een nieuwe
poëzie, het betekende voor de dichter de start van de samenwerking met een
nieuwe uitgever, Kleinood & Grootzeer, gevestigd in... Bergen op Zoom. Veel
dichters willen hun poëzie hoe dan ook in een zo groot mogelijke oplage
gedrukt zien. (Met als gevolg dat grote uitgevers wel eens spuuglelijke
poëziebundels op de markt brengen.) Kleinood & Grootzeer, het bedrijfje van
graficus Gerrit Westerveld, wil in de eerste plaats de poëzie zo mooi mogelijk
uitgegeven zien. Kleinschalig, bibliofiel verzorgd. Handgemaakt, zelfs. Zodat
elk gedicht optimaal tot zijn recht komt. En terecht. Is dat niet het ultieme
streven van een dichter?
 
Het is een goede zaak dat ook Philippes nieuwe bundel, Niets verloren, bij
Kleinood & Grootzeer verschijnt. En zoals de titel aangeeft, heeft Cailliau zijn
toekomst, en een zekere rust gevonden. Zijn wereld is ruimer geworden en er
schijnt weer licht in de duisternis.  Al is dat schijnen soms ook schijn. Niet
voor niets heeft de nieuwe bundel twee motto’s, waaronder eentje van Silvio
Berlusconi. Deze Italiaanse ‘dichter’ zei op 18 september vorig jaar in een
televisieboodschap: ‘Ik ben onschuldig, ik ben ab-so-luut onschuldig’ terwijl
de hele wereld beter wist. Het citaat verwijst naar een van de themata in
Philippe Cailliaus bundel, namelijk schijn en werkelijkheid. Berlusconi stond
op het moment van die uitspraak met volle overtuiging zijn eigen leugens te
geloven. Hij was zeker van zijn eigen waarheid. En dat is iets wat ook dichters,
met hun fanatieke drang naar het aanwenden van het juiste woord (met vaak
meerdere betekenissen) niet vreemd is. Lees maar, er staat niet wat er staat –
deze uitspraak van Martinus Nijhoff heeft de man zelf later herroepen door te
zeggen: ‘Ik heb dat niet gezegd, ik heb gezegd: lees maar, er staat niet
Waterstaat’. ‘Ik ben ab-so-luut onschuldig, weetjewel?’ Philippe Cailliau heeft
trouwens niet voor niets nog een tweede motto aan de bundel toegevoegd,
eentje van de dichter des vaderlands Charles Ducal: ‘Tot alles bereid is het
woord’.
 
Let dus op met het lezen van Philippe Cailliau, de Berlusconi van de Vlaamse
poëzie. Want zonder dat je ’t weet, beste lezer, steekt hij heel amicaal zijn
hand naar je uit, maar knijpt hij het volgende moment stevig in je ballen. Zo’n
bundel is Niets verloren.
 
Maar dat knijpen is dan wel een vorm van pose. Of zo je wil: het verbergen van
onzekerheid. Het typische verhaal van de grote mond en het kleine hartje.
Niets verloren is opgebouwd uit drie reeksen. De eerste, die als thema de
kindertijd heeft, bevat 9 gedichten. De middelste 17 en de derde 11. De
aantallen alleen al zou je symbolisch kunnen noemen, want het aantal
gedichten uit de bundel is ongeveer half zoveel als de levensverwachting die de
dichter zichzelf in jaren toemeet. De kindertijd loopt tot 2 x 9 = 18 jaar; de
volwassen periode 17 x 2 = 34 jaar verder, en als je die bij de eerste 18 optelt,
kom je uit op 52, exact de leeftijd dat Philippe om medische redenen met
pensioen is gesteld. De laatste reeks bevat 11 gedichten, wat dan een
voorspelling zou kunnen betekenen: de dichter die zichzelf na zijn 52ste, nog
11 x 2 = 22 jaar geeft. Over ironie gesproken.
 
Een van de meest belachelijke vragen die een lezer zich kan stellen is: wat
heeft de dichter daarmee bedoeld? Ik heb dus niet gevraagd aan Philippe of hij
deze structuur met die bedoeling heeft geëpibreerd. Maar er is de 1ste Wet van
Pollet – die zegt: ‘Het toeval is de goede dichter altijd gunstig, en de slechte
dichter altijd ongunstig gezind.’
 
Het openingsgedicht van de nieuwe bundel heet ‘Fase Geel’. En, dames en
heren, welke kleur had de cover van Philippes vorige bundel? Toeval, of een
ultieme uiting van coherentie?
 
Inhoudelijk bevat het nieuwe boek, in tegenstelling tot het vorige, heel wat
humor, zij het vaak humor met een zwart randje. In de eerste reeks,
bijvoorbeeld, eindigt het gedicht ‘Een brooddoos met verdriet’ op deze
versregels:
(...) Wat is
de kindertijd een meesterwerk van kleine hoofden
die, gevuld met zelfzucht en weetgierigheid, hun
wreedheid weten in te kleuren met omfloerst geweld.
Dit korte citaat legt meteen een aantal stilistische sterktes van de dichter
bloot: het dwingende ritme, de bijna aforistische regels, de verrassende
pointe.
 
Wanneer je op een zekerheid stoot, wordt die vaak de volgende regel al
ontkracht. Wanneer iets grappigs dreigt op te duiken, wordt het in de
volgende regels gefnuikt. De dichter weet zijn woorden te kiezen om heel veel
te relativeren, niet in het minst zichzelf. Zo schrijft hij in ‘Aanbod’:
Ik schenk je zelfs een klaplong die
al twee keer werd hersteld.
Dus buiten adem ben ik niet.
Of in ‘Wandelaar’:
Z’n eigen derde voetafdruk is hij, die
naast zijn schoenen loopt.
Ook qua enjambering kan Philippe zijn mannetje staan. In de opening van
‘Restauratie’, bijvoorbeeld, schrijft hij:
Op de kiezels van het grasveld liggen
man en vrouw gekleed in vrouw
en man elkaar te wezen.
Het is in deze bundel meer regel dan uitzondering: de dichter speelt continu
met de lezer zijn kloten. Zodat die misschien niet in de gaten heeft hoe
nostalgisch, hoe overgevoelig, hoe frêle deze poëzie eigenlijk wel is, hoe
kwetsbaar de dichter in en tussen de regels verscholen zit:
In ‘Kermis’ lees ik:
(...) Wie spreekt nu eindelijk de waarheid
waardoor we kunnen slapen soms, of vliegen
en denken aan de uitvaart van een oude vriend,
aan kort verdriet om een verloren teddybeer.
En in ‘Zonder kompas en blind’ staat:
(...) waar angst
is, klinkt geen noodsignaal, ligt
geen kompas.
En in het gedicht ‘Was jij erbij’ lees ik:
(...) Wat was ik blij
dat ik mijn bloed beleed en door het oog
kroop van een naald. (...)
 
Niet alleen de mens, maar ook de dichter Philippe Cailliau is meermaals door
het oog van een naald gekropen. We kunnen als lezer, als poëzieliefhebber,
alleen maar gelukkig zijn dat deze fijne dichter en dito mens, zichzelf én de
poëzie heeft teruggevonden. En dat hij voor zijn werk een uitgever heeft
gevonden die elk woord optimaal respecteert. Ik zou haast wensen dat
Philippe en ik niet alleen een verleden, maar ook op dat vlak een toekomst
zullen delen.
 
Dames en heren, van Niets verloren bestaan slechts 100 genummerde en
gesigneerde exemplaren. Ik ben de trotse bezitter van nummer 4. Voor die
andere exemplaren wordt het vechten. Ik wens u hierbij veel succes. Ten
aanval!
 
- Frank Pollet

(Ook verschenen in: CDR, Mededelingen, nr. 237, 30 september 2014, pp. 5-8. )
(= de pdf- en papieren versie)




2*

De Drie van ... Philippe Cailliau

Autobiografische tekst over boeken die me de jongste maanden hebben getoffen. "De drie" zijn: De oorlogsdagboeken van Louis Barthas, 1914 - 1918Berlijnse Trilogie van Philip Kerr en Alsof ik er haast ben. Verzamelde gedichten 1987 - 2012 van Charles Ducal. 
De drie van ... Philippe Cailliau. In: Buurten, januari 2014, jg. 16, nr. 1, p. 8. (Uitgave van Gemeenschapscentrum De Boesdaalhoeve en vzw "De Rand".)

Digitaal zie ook p. 8 van het januarinummer 2014 van Buurten:  http://issuu.com/derand/docs/buurten-01-2014/1?e=2137581/6271682




1*

Autobiografische scherven
 
 
Het is niet zo makkelijk terug te keren naar het verleden om juist die feiten en ervaringen op te vissen – zonder er te vergeten – die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en de groei van mijn dichterschap, maar ik hoop dat ik al schrijvende er deels zal in slagen.
 
Reeds als kind las ik alles wat ik in mijn handen kon krijgen, maar kennis maken met de Nederlandstalige poëzie deed ik pas echt goed in het voorlaatste jaar van mijn atheneum. Ik woonde toen in Duitsland, en in de beginjaren zeventig was het voor de daar verblijvende kinderen – adolescenten niet zo vanzelfsprekend veel af te weten van onze poëzie (en van het betere, poëtische lied). Degelijk uitgeruste bibliotheken bestonden er nauwelijks, zelfs niet. Maar mijn leraar Nederlands (J. Debergh, ik ben hem daar nog dankbaar voor) installeerde in de klas een open bibliotheek, waarin ik naar believen kon en mocht snuffelen. Zo las ik alweer alles wat me zou kunnen boeien en interesseren. Ik vond van mezelf dat ik een hele achterstand had op het gebied van literatuurkennis. Ondertussen bracht mijn broer, die toen al in België studeerde, boeken en literaire tijdschriften zoals het Nieuw Vlaams Tijdschrift voor me mee. Hoewel ik in het klassieke onderwijstype voor de wiskundige richting had gekozen, begon wiskunde me allengs minder en letterkunde me meer aan te spreken. Ik begon zelf te “schrijven”. Spelen met woorden en betekenissen heeft steeds in mij gezeten, en aangezien ik nogal introvert van aard ben, kon ik me schriftelijk gemakkelijker  en exacter dan mondeling uitdrukken. Schrijven was (en is) voor mij “zich uitleven”, het was een bevrijding en maakte remmingen los. Het gaf mij een kick. En door het feit dat ik niet zo’n “lange adem” had en dat het mysterieuze in de poëzie me aantrok, zag ik meer heil in het vers dan in het proza (pas later zou ik ook proza produceren). Ik begon schriften vol gedichten te schrijven, met zowel puberale liefdespoëzie als taalautonomische experimenten à la Vogelaar of Polet of Schierbeek. Samen met een goede kameraad redigeerde ik in die periode ook een tijdschriftje van de humanistische jeugd, en om de ruimte van sommige bladzijden op te vullen, gaf ik, na lange aarzeling, mijn eerste “gedichtjes” vrij. Van enige betekenis waren ze niet, maar ik had de eerste stap gezet: het aan de openbaarheid vrijgeven van teksten waarin ik me “op poëtische wijze” trachtte uit te drukken.
 
Toen ik in 1972 aan de Vrije Universiteit van Brussel Germaanse filologie begon te studeren, zond ik – eerst vruchteloos – gedichten in naar verscheidene literaire bladen. Die gedichten waren al geschreven met meer afstand, zodat ze, zo vond ik zelf, ook meer “echte” poëzie werden. Mijn eerste poëziepublicatie in het literaire wereldje vond dan plaats eind 1973, in het niet bepaald veel betekenende jaarlijkse “Yang Honderd Dichters”. Maar het was een aanmoediging voor mij. In 1974 richtten enkele medestudenten en ik dan het literaire blad Groot Vizier op, en niet zo veel later werd ik mederedacteur van het tijdschrift Hagelslag, dat in 1975 als speciaal-nummer mijn debuutbundel De moordenaar en zijn vroedvrouw zou uitgeven. Ik publiceerde gedichten en besprak poëzie en proza. Van aard waren mijn gedichten experimenten met de taal; ze waren een poging om de versleten, bijna betekenisloos geworden taal – woorden verloren, vooral in de media, hun ware, oorspronkelijke betekenis – weer te revaloriseren. Ik probeerde een nieuwe realiteit te scheppen, een die qua uitdrukkingswijze slechts in woorden en beelden is weer te geven. Zo’n poëzie werd en wordt neo-experimenteel, hermetisch en poly-interpretabel genoemd. Ondertussen had ik zowat alle publicaties gelezen van onze belangrijkste hedendaagse dichters, ik verslond poëziebloemlezingen en bij professoren als J. Weisgerber en P. Hadermann volgde ik cursussen over o.m. Van Ostaijen, Burssens en Marsman. Als hoofdredacteur van Groot Vizier ontving ik van vele tijdschriften een ruilabonnement en zo kende ik in een minimum van tijd de jongste poëzierichtingen: het neo-realisme, de neo-romantiek en het neo-experimentalisme. Mijn voorkeur en poëtische visie namen een vastere vorm aan. Ik leerde ook De Tafelronde en wijlen Paul De Vree, die dat tijdschrift redigeerde, kennen en aangezien ik me tevens bezighoud met tekenen en met beeldende kunst, begon ik visuele en concrete poëzie te “maken” De Vree moedigde me aan (zoals Weisgerber en Hadermann dat deden m.b.t. mijn “gewone” poëzie) en nam verscheidene visuele en concrete gedichten van me op in zijn blad.
 
Mijn poëzie werd in de hermetische, linguïstische richting geplaatst; ze reageerde voornamelijk tegen alle mogelijke dwangmatigheden, bevelsvormen die door politisering van het woord en door oppervlakkige communicatie in onze taal vastgeankerd zaten en zitten. Poëzie moest vrijheid betekenen, zowel voor mij als voor de lezer. Daarom werkte ik vooral met de reeds genoemde poly-interpretabiliteit, en ik ging daarin zelfs zover dat ik de gedichten van mijn tweede publicatie, De tocht naar Cloaca (1976) “anderhalfloops-gedichten” of “participerende poëzie” noemde. Op de linker pagina stond een gedicht, op de rechter stelde ik per versregel nuancemogelijkheden voor, andere woorden en regels dus, die aan de oorspronkelijke versregel of aan het gedicht in het geheel méér, een andere of een genuanceerde betekenis gaf. Ik begon ook meer en meer de techniek van het schokelement te controleren. Hiermee bedoel ik: schrijven op die wijze dat de lezer even moet stilstaan wegens het niet-verwachte (onverwachte beelden, beeldspraak, woorden, woordsplitsingen …). Deze techniek had ik vroeger al wel toegepast, maar dan in overdreven mate.
 
Na publicaties in het Nieuw Vlaams Tijdschrift, De Vlaamse Gids, Impuls, De Tafelronde, Yang, Koebel, Poëziekrant en vele andere literaire tijdschriften (later kwam ook Kreatief erbij) publiceerde ik in 1980, in de “Yang Poëzie Reeks”, de dubbele bundel De leer van Etymon en Hoe meervoudig dit lieve lichaam. De leer van Etymon schreef ik het eerst, maar om financiële redenen (zoals de lezer wellicht weet, bekostigt in genoemde reeks de dichter de oplage zelf) wachtte ik tot Hoe meervoudig dit lieve lichaam klaar was om alles samen in één boek uit te geven. De inleidende tekst voor het achterplat (na beraad met J. Vangansbeke, die verantwoordelijk was voor de reeks, werd die uiteindelijk niet afgedrukt) zegt duidelijk waarover het gaat. Een fragment: “Hoewel er een duidelijke evolutie is in de poëtische vormgeving, lopen de thema’s nagenoeg parallel: uitholling van de taal, communicatiebreuken, erotiek en seksualiteit in hun diverse verschijningsvormen, vereenzaming en stilte; agressie, inkapseling en zoeken naar mogelijk spreken in de existentie van deze eeuw van de versnelling. Alle thema’s zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de eerste bundel treedt de taalvan de mens op de voorgrond, in het tweede is het evenwel de mens, met een lichaam dat op alle niveaus zoekt naar talen en uitdrukkingen, ter verwezenlijking van een dieper bewustzijn. Deze gewijzigde benadering van de problematiek heeft onvermijdelijk geleid tot een zékere vrees voor het hedendaags taalgebruik.” (Volledigheidshalve wil ik hier vermelden dat ik tijdens de jaren ’74-’76 werkte aan mijn licentieverhandeling Rol en betekenis van de sexualiteit en de erotiek in het romanwerk van Jef Geeraerts, 1962 – 1975. Ik was dus goed op de hoogte van de betekenis van de erotische en seksuele elementen die ik in mijn gedichten opnam.)
 
Ik was al beginnen te twijfelen aan mijn nogal ver doorgevoerd hermetisme: ik vond dat poëzie naast leesbelevenis zijn wel leesinspanning mocht vergen, maar er moest ook leesgenot zijn. Hoewel ik veel van mijn reeds toegepaste technieken behield, begon ik dan eenvoudiger te schrijven, en volgens bepaalde critici kwamen er romantische karakteristieken in mijn nieuwe gedichten voor. Ik bevond me in die periode volop in een huwelijkscrisis (die zou worden gevolgd door een echtscheiding). Mijn leven beschouwde ik als een puinhoop, een boel scherven die ik vruchteloos aan elkaar probeerde te lijmen. Ik verwoordde dat gevoel, de leegte, de illusieloosheid, de (mislukte) poging om de schermen van het leven weer aan elkaar te kleven in de bundel met de toepasselijke titel Wedersamenstelling en publiceerde deze in 1981 in Nederland bij de uitgeverij Wel. (Ik wil hier geen misverstanden scheppen: de bundel is qua inhoud niet écht autobiografisch.)
 
Compagnie van de Internationale Amnestie(uitgegeven in 1982 bij Edition Cadans te Amsterdam in een oplage van 100 exemplaren; de initialen C.I.A. zijn geenszins een toeval) beschouw ik als een buitenbeentje in mijn productie. De basis, het geraamte van dit lange gedicht (voor vier stemmen) schreef ik, in een kwade bui, al in 1975, naar aanleiding van de terechtstelling van enkele Basken door Franco van Spanje bevolen, maar ik zag toen weinig in een publicatie ervan. Ik herwerkte, herschreef en herschreef en bracht meer seksuele agressie in de werkteksten. Zo was C.I.A. in 1982 dan toch klaar; het was een mengeling geworden van fragmenten parlandopoëzie en “vreemde” beeldspraak en symboliek. Martelingen en terechtstellingen werden na 1975 in vele landen overigens toch niet afgeschaft, zodat het gedicht in 1982 nog niets aan actualiteit had ingeboet.
 
Na 1982 schreef ik nog maar weinig poëzie. Ik ben trager gaan werken en zal pas een nieuwe bundel publiceren wanneer ik ervan overtuigd ben dat hij rond en volledig af is. Mijn scepsis is groter geworden, ik ben niet meer zo vlug tevreden. “Automatisch” schrijven is uit den boze. 1981 is een keerpunt in mijn leven. Ik heb nu een gelukkig huwelijk, en ik ben me gaan toeleggen op het bespreken van boeken van anderen. Mijn kritisch werk (prozakritiek) heeft me de jongste jaren zo beziggehouden dat ik het niet erg vond mijn poëzie voor een tijd terzijde te leggen. Recensies, kritieken en essays schrijven over proza vind ik erg boeiend, en je kan niet alles tegelijkertijd doen.
 
Mijn gedichten zullen wel nog eenvoudiger en minder hermetisch worden. Naar beste vermogen schrap ik alles wat overbodig is of zou kunnen zijn (het gevolg van deze houding is natuurlijk dat ik vele kladversies van een gedicht heb, maar dat ik moeilijk tot het besluit kan komen dat iets “af” is). Of deze werkwijze een invloed heeft op de innerlijke spanning, de poëtische spankracht, weet ik niet; dat oordeel laat ik over aan de literaire kritiek. Hoe mijn werk verder zal evolueren, kan ik momenteel dus nauwelijks zeggen. Ik laat de tijd, de toekomst voor een groot deel beslissen. Tijd brengt raad. In elk geval heb ik geen zin me te schikken naar de bekende literaire-hokjesindeling. Zulke hokjes zijn, met betrekking tot het promoten van iemands poëzie, weliswaar interessant (men wordt makkelijker opgenomen in bloemlezingen enz., men behoort immers tot een “groep”), maar ik heb daar geenszins behoefte aan.
 
Ik bevind me op dit ogenblik zo een beetje in een poëtisch vacuüm. Na Wedersamenstelling zat ik nogal vast. Wellicht zullen de gedichten waaraan ik nu werk, ooit het daglicht zien.
 
Het was niet mogelijk binnen dit korte bestek op alles diep in te gaan of bij alles uitvoerig stil te staan. Ik kon veel meer vertellen. Maar ik hoop toch dat ik de vraag “Hoe is jouw dichterschap ontstaan en geëvolueerd?” niet al te oppervlakkig heb beantwoord.
 
 
Polylingua
 
Taal wordt aan stemmen geschonken
Geschonden door naamgeving en kiezelstenen.
 
Oeroud, liggende vazallen
op de dodender zee, splinteren wij
het aangezicht van elke taalgeschiedenis.
 
Nochtans hoor ik: in haar
moet ik leven als in het begin van een vrouw.
Opwaarts, neerwaarts, hartspierkroniek.
Voor haar verteer ik kruisingen
van vagina en taal
en memoriseer de droefenis der eenzaamheid.
 
Maar op de ademtak hokt rustig de condor.
Hij buigt voorover. Hij schraapt zijn nekvel.
 
En rochelt teder bloed en stank.
 
(Uit “Hoe meervoudig dit lieve lichaam”, de bundel De leer van Etymon en Hoe meervoudig dit lieve lichaam, 1980)
 
 
 
Panisch repititief
 
I
 
Hij zoekt die naakt is. Die raakt
Aan wat het volste is. Die waakt
 
En aldus gek is. Als nooit voordien
De naakte is. Die raakt aan wat voorzien
 
Het liefste is: het ritmisch
Dragen van de waardevolle treurnis
 
Van
 
II
 
En hij die naakt is. Zo dit gemis
van vachten niet aan hem is.
 
Geen naaktheid hem te veel
is, maar hij het panisch kloppen
in de keel –
 
geamputeerde long is
 
III
 
Niets laat hij na.
Geen erfenis.
 
Hij zoekt die
 
(Uit Wedersamenstelling, 1981)
 
 
 
Bezwering (12 bis, het avondmaal)
 
Vandaag schreef ik de geluiden
die hier en daar ook woorden zijn
en soms signalen in de geschiedenis
van mijn annalen. Ik  heb het allemaal
wel gehoord: ik ga stilaan dood.
Geen kat die me tegenhouden zal,
geen syllaben die me overtuigen,
geen angstschreeuw brengt me weer bij
zinnen of bij adem.
 
Vanavond had ik twaalf monden
op bezoek. We consumeerden alsof
het leven er vanaf hing, en als eerste
verliet ik de tafel – en iedereen zweeg
 
uiteraard
 

(Ongebundeld, 1983)
© Philippe Cailliau
 
Bron: De genese van een dichterschap of hoe ik dichter werd, Kreatief, 1986, nr. 4-5, december 1986 (samensteller: Lionel Deflo). Phil Cailliau, Autobiografische scherven, pp. 4-12.
 
(Letterlijk overgenomen, maar de spelling werd aangepast aan de huidige spelling.)